Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende ontwikkelde een nieuw concept voor de opslag van urnen met as van overledenen, genaamd ‘interactieve’ monumenten. In de aangifte omzetbelasting over 2019 gaf zij geen belaste omzet aan, maar bracht € 659 aan voorbelasting in aftrek. De inspecteur verleende een teruggaaf van dit bedrag, maar wees het bezwaar van belanghebbende tegen deze teruggaaf af.
Belanghebbende stelde beroep in tegen de afwijzing van het bezwaar en wilde daarmee de toepassing van de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet OB op haar toekomstige prestaties laten toetsen. De rechtbank oordeelde dat deze vraag niet in deze procedure kan worden beantwoord, omdat het beroep zou leiden tot een slechtere positie van belanghebbende dan zonder beroep, wat in strijd is met het bestuursrechtelijke verbod van reformatio in peius.
De rechtbank verwierp ook het standpunt dat een toekomstig belang in deze procedure relevant is. Het mogelijke toekomstige belang kan worden aangevoerd bij toekomstige beschikkingen. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de teruggaafbeschikking omzetbelasting is ongegrond verklaard vanwege het verbod van reformatio in peius.