ECLI:NL:RBZWB:2022:1527
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens tegemoetkoming Belastingdienst
Verzoekster had beroep ingesteld tegen een besluit van de Belastingdienst waarin het kindgebonden budget over 2018 op nihil werd vastgesteld. Na bezwaar werd dit besluit gehandhaafd, maar later herzien waarbij een bedrag van € 3.936,- plus € 378,- rente werd toegekend. Naar aanleiding hiervan trok verzoekster het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht, dat proceskostenvergoeding mogelijk maakt wanneer het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen. Omdat verzoekster tijdens de bezwaarfase geen proceskosten had gevorderd, beperkte de rechtbank zich tot de beroepsfase.
De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst aan het beroep was tegemoetgekomen en wees het verzoek tot proceskostenvergoeding toe. De proceskosten werden vastgesteld op € 759,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van € 49,- door de Belastingdienst vergoed moet worden, waarvoor verzoekster zich rechtstreeks tot de Belastingdienst moet wenden.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst tot vergoeding van € 759,- aan proceskosten aan verzoekster.