ECLI:NL:RBZWB:2022:1536
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen NOW-besluit
Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarin zij geen recht kreeg op een definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW 1-regeling en een terugvordering van € 5.475,- werd opgelegd. Na bezwaar verklaarde de minister het bezwaar ongegrond, waarna verzoekster beroep instelde bij de rechtbank.
Later trok de minister het bestreden besluit in en kende alsnog een definitieve tegemoetkoming toe van € 6.845,-, waardoor de terugvordering kwam te vervallen. Naar aanleiding hiervan trok verzoekster het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat ondanks de tegemoetkoming van de minister geen aanleiding bestond tot proceskostenveroordeling, omdat het beroepschrift niet door een derde met beroepsmatige rechtsbijstand was ingediend, maar door de directeur en enig aandeelhouder van verzoekster zelf. Kosten van een gemachtigde die tevens als deskundige optreedt komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ook waren er geen andere proceskosten aannemelijk gemaakt.
De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding af, maar wees erop dat het griffierecht door de minister vergoed moet worden volgens de Awb.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor vergoeding.