Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 5 juni 2020 vond een verkeersongeval plaats in een tunnel waarbij de auto van het slachtoffer tot stilstand kwam en later werd aangereden door een andere auto. Verdachte raakte de auto van het slachtoffer met zijn bedrijfsauto, waarna een andere bestuurder de auto van het slachtoffer harder raakte, wat leidde tot het overlijden van het slachtoffer.
De officier van justitie stelde dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden en daardoor schuld heeft aan het dodelijke ongeval. De verdediging betoogde dat het overlijden niet met zekerheid door het ongeval kon worden veroorzaakt en dat het waarschijnlijker was dat de botsing met de andere auto fataal was.
De rechtbank oordeelde dat het niet met buiten redelijke twijfel vaststaat dat het rijgedrag van verdachte het overlijden heeft veroorzaakt. Medische factoren, zoals een eerder CVA van het slachtoffer, en de krachtigere botsing met de andere auto maken het causaal verband onzeker. Ook het subsidiaire verwijt van het veroorzaken van gevaar op de weg werd niet bewezen.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde feit.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor causaal verband tussen zijn rijgedrag en het overlijden van het slachtoffer.