AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep niet-ontvankelijk wegens tijdige beslissing WIA-aanvraag, doorverwijzing naar bezwaarprocedure
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar WIA-aanvraag van 2 maart 2020. Partijen zijn het eens dat de beslistermijn was verstreken voordat het beroep op 18 oktober 2021 werd ingediend. De rechtbank stelt vast dat het beroep rechtsgeldig is ingesteld conform artikel 6:12 AwbPro.
Verweerder heeft op 10 februari 2022 alsnog een besluit genomen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt daardoor mede geacht gericht te zijn tegen dit besluit. Omdat eiseres geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk.
Eiseres heeft aangegeven het niet eens te zijn met het besluit van 10 februari 2022. De rechtbank verwijst dit deel van het beroep naar verweerder ter behandeling als bezwaar, conform artikel 6:20, vierde lid, Awb. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van eiseres.
Uitkomst: Beroep tegen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard; beroep tegen inhoudelijke beslissing verwezen naar bezwaarprocedure; griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoed.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/4522
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2022 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [Plaatsnaam] , eiseres
(gemachtigde: mr. J. de Haan),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 2 maart 2020 voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Overwegingen
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een (nadere) zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Partijen zijn het erover eens dat de beslistermijn voor de WIA-aanvraag was verstreken voordat eiseres op 18 oktober 2021 beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag voldoet aan de vereisten zoals gesteld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Dit brengt mee dat eiseres rechtsgeldig beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.
Verweerder heeft op 10 februari 2022 alsnog beslist op de aanvraag. Met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen dit besluit.
Niet gebleken is dat eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Eiseres heeft bij brief van 28 februari 2022 aangegeven het niet eens te zijn met de beslissing van verweerder van 10 februari 2022. Nu de inhoudelijke standpunten ten aanzien van de WIA-aanvraag nog onvoldoende tussen verweerder en eiseres zijn uitgesproken en besproken, ziet de rechtbank aanleiding het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit van 10 februari 2022 te verwijzen naar verweerder ter behandeling als bezwaar (artikel 6:20, vierde lid, van de Awb).
Dit betekent dat de rechtbank het (aanvullend) beroepschrift ingevolge artikel 6:15 vanPro de Awb als bezwaarschrift zal doorzenden aan verweerder onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Nu dit beroepschrift reeds in bezit is van verweerder zal de rechtbank dit niet opnieuw toezenden en volstaan met deze mededeling.
Omdat eiseres terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht dient te vergoeden.
Daarnaast krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt.
Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,0 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 759,-.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
verwijst het beroep tegen het besluit van 10 februari 2022 naar verweerder ter behandeling als bezwaar;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 25 maart 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.