De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige tot 4 maart 2023. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ondertoezichtstelling eerder was verlengd tot 4 april 2022 en dat de GI een verlenging met een jaar wenst vanwege een zorgelijke thuissituatie en het ontbreken van vaste jeugdzorg.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de ouders de hulpverlening in het verleden niet binnenlieten, maar recent hard hebben gewerkt om de situatie te verbeteren. De GI erkent dat er geen vastomlijnd plan van aanpak is en dat de hulpverlening recent is gestart. De ouders erkennen hulp nodig te hebben bij het huishouden, maar niet bij de opvoeding, die goed verloopt volgens huisarts en kinderarts.
De kinderrechter oordeelt dat de zorgen niet verder reiken dan huishoudelijke problemen en dat deze geen ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van de minderjarige vormen. Er is vertrouwen in de ouders en hun omgeving om tijdig hulp in te schakelen indien nodig. De kinderrechter wijst het resterende verzoek van de GI af en benadrukt dat de ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het onderhouden van contacten met hulpverleners en het binnenlaten van hulpverlening.