ECLI:NL:RBZWB:2022:1622
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen afwijzing proceskostenveroordeling na toekenning aanvullende uitkering Participatiewet
Opposanten hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda om hun aanvullende uitkering op grond van de Participatiewet pas vanaf 1 januari 2020 toe te kennen in plaats van vanaf 1 januari 2019. Het college heeft later alsnog de uitkering met terugwerkende kracht toegekend vanaf 1 januari 2019. Opposanten trokken daarop hun beroep in en verzochten om een proceskostenveroordeling van het college. De rechtbank wees dit verzoek af, waarna opposanten verzet instelden.
De rechtbank beoordeelt in deze verzetprocedure uitsluitend of het verzoek om proceskostenveroordeling terecht is afgewezen. Opposanten stelden dat het college onrechtmatig heeft gehandeld door de uitkering niet eerder toe te kennen, omdat de verblijfsstatus van een van hen niet juist was beoordeeld. De rechtbank stelt vast dat het college pas kon besluiten tot toekenning vanaf 1 januari 2019 nadat opposanten in beroep aanvullende bewijsstukken hadden overgelegd.
De rechtbank volgt de vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan in principe in de proceskosten wordt veroordeeld indien het tegemoetkomt aan betrokkene, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Hier is sprake van bijzondere omstandigheden omdat de noodzaak tot beroep uitsluitend is toe te schrijven aan het niet tijdig overleggen van bewijs door opposanten zelf. Daarom blijft de afwijzing van het verzoek om proceskostenveroordeling in stand en wordt het verzet ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen.