De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 5 april 2022 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen en medeplichtigheid aan oplichting van het Ministerie van Defensie voor twee bedragen van respectievelijk €484.530,94 en €49.854,75. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 22 maart 2022, waarbij verdachte niet aanwezig was maar werd vertegenwoordigd door haar raadsvrouw.
De officier van justitie stelde dat verdachte medeplichtig was aan de oplichtingen gepleegd door een medeverdachte. De verdediging voerde aan dat verdachte niet op de hoogte was van de oplichting en geen bijdrage had geleverd aan de feiten. De rechtbank oordeelde dat het dossier onvoldoende bewijs bevatte om vast te stellen dat verdachte wetenschap had van de oplichting. Hoewel verdachte mogelijk vraagtekens had kunnen hebben bij het plotselinge hogere besteedbare inkomen, was dit onvoldoende om aan te nemen dat zij de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het geld uit misdrijf afkomstig was.
Daarom ontbrak het aan opzet en wetenschap bij verdachte, waardoor zij integraal werd vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Tevens werd de ontnemingsvordering behandeld, maar hierover is geen nadere uitspraak vermeld in het vonnis.