Betrokkene is veroordeeld voor medeplichtigheid aan oplichting van het Ministerie van Defensie. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk €29.212,94, gebaseerd op een rapport van de Koninklijke Marechaussee.
De rechtbank stelde vast dat betrokkene kosten van €577 had gemaakt die redelijkerwijs in mindering konden worden gebracht, waardoor het voordeel werd geschat op €28.635,94. Gezien het budget- en schuldenoverzicht en de persoonlijke omstandigheden van betrokkene, waaronder de zorg voor twee thuiswonende kinderen, matigde de rechtbank het ontnemingsbedrag.
De rechtbank legde de ontnemingsverplichting vast op €18.000 en bepaalde een gijzelingstermijn van 125 dagen voor het geval niet wordt betaald. De overige vorderingen van de officier van justitie werden afgewezen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.