Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak voor het jaar 2020, welke door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €254.000. De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van deze waarde, waarbij de huurwaardekapitalisatiemethode werd gehanteerd, en concludeerde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld.
De rechtbank verwierp de bezwaren van belanghebbende over de anonimiteit en ondertekening van de uitspraak op bezwaar, evenals de stelling dat de kapitalisatiefactor te hoog zou zijn. De waardepeildatum lag vóór de coronapandemie, waardoor de effecten daarvan niet in de waardering hoefden te worden meegenomen.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase was overschreden, waardoor belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding van €500. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €541.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waarmee de vastgestelde WOZ-waarde van €254.000 bleef staan. De uitspraak biedt duidelijkheid over de toepassing van de huurwaardekapitalisatiemethode en de beoordeling van termijnoverschrijding in bestuursrechtelijke procedures.