ECLI:NL:RBZWB:2022:1828
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde en vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende is erfpachter van twee vrijstaande woningen uit 1958, waarvan de WOZ-waarden voor 2019 door de heffingsambtenaar zijn vastgesteld op respectievelijk €424.000 en €330.000. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waarderingen, die door de heffingsambtenaar werden gehandhaafd, waarna beroep werd ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde de waardebepaling aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de heffingsambtenaar de waarden onderbouwde met verkoopgegevens van vergelijkbare woningen en rekening hield met verschillen in ligging, kwaliteit en erfpachtgrond. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarden niet te hoog waren, en verklaarde het beroep ongegrond.
Daarnaast stelde belanghebbende aanspraak op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van bezwaar en beroep. De rechtbank constateerde een overschrijding van ongeveer 12 maanden en kende een vergoeding van €1.000 toe, waarvan €167 voor rekening van de heffingsambtenaar en €833 voor de Staat. Tevens werden proceskosten en griffierecht deels toegewezen aan belanghebbende.
De uitspraak is gedaan door rechter J.P.A. Boersma en griffier S.A. van Beijsterveldt op 29 maart 2022 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarden wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.