ECLI:NL:RBZWB:2022:1844
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde en vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning die in 2018 werd gekocht en verbouwd. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor 2020 vast op €326.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
Tijdens de zitting op 18 maart 2022 werd vastgesteld dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Het geschil betrof vooral de vraag of belanghebbende recht had op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, alsmede op proceskostenvergoeding en vergoeding van het griffierecht.
De redelijke termijn voor bezwaar- en beroepsfase bedraagt volgens de Hoge Raad twee jaar. De uitspraak op bezwaar werd gegeven op 13 oktober 2020, terwijl de rechtbank pas na 15 maart 2022 uitspraak deed, waardoor de redelijke termijn werd overschreden. De rechtbank kende daarom een immateriële schadevergoeding van €500 toe.
Daarnaast werd het door belanghebbende betaalde griffierecht van €48 vergoed en proceskosten van €541 toegekend voor de beroepsfase, met een wegingsfactor van 0,5 vanwege het beperkte belang van het geschil. Het beroep zelf werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt vergoeding voor immateriële schade, griffierecht en proceskosten.