Partijen hadden een affectieve relatie die in juli 2020 is verbroken, met twee minderjarige kinderen. De vrouw verzocht om vaststelling van kinderalimentatie, waarbij de man verweer voerde tegen ontvankelijkheid en draagkracht. De rechtbank oordeelde dat de vrouw voldoende inzicht had gegeven in haar financiële situatie en dat het verzoek ontvankelijk was.
De behoefte van de kinderen werd vastgesteld op €299 per maand per kind, gebaseerd op het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2019, het laatste volledige jaar voor het uiteengaan. De rechtbank hield rekening met heffingskortingen en het kindgebonden budget. De bijzondere kosten werden niet meegenomen omdat de vrouw daar geen gevolgtrekking aan verbond.
De draagkracht van de vrouw werd vastgesteld op €90 per maand, waarbij de rechtbank niet aannam dat zij inkomsten uit haar onderneming had of voltijds kon werken vanwege de zorg voor de kinderen. De man had een draagkracht van €370 per maand. Door toepassing van een zorgkorting van 25% en het tekort in draagkracht werd de alimentatie vastgesteld op €145 per maand per kind met ingang van 1 juli 2021.