Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2022 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
1. Feiten
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van het college van Gedeputeerde Staten van Zeeland waarin de subsidieverlening voor beheereenheden 1000 en 1001 is ingetrokken en de te veel ontvangen subsidie over de jaren 2015 tot en met 2018 is teruggevorderd. De intrekking is gebaseerd op het feit dat eiser niet gedurende de vereiste aaneengesloten periode van zes jaar agrarisch natuurbeheer heeft uitgevoerd, mede doordat hij na overdracht niet deelnam aan het collectief agrarisch natuurbeheer gedurende de gehele periode.
De rechtbank overweegt dat de subsidieaanvraag voor deze beheereenheden een geheel nieuwe periode van zes jaar bestrijkt vanaf 1 januari 2015, conform de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Zeeland (SNL). De stelling van eiser dat hij mocht uitgaan van een resterende periode van de subsidie van de vorige beheerder wordt verworpen, mede omdat hij uitdrukkelijk op de nieuwe periode is gewezen.
Verder oordeelt de rechtbank dat de intrekking en terugvordering rechtmatig zijn op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en dat de brief van 12 januari 2021 slechts een administratieve correctie betreft en geen besluit in de zin van de Awb is. De beroepen worden ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De beroepen tegen de intrekking en terugvordering van de subsidie worden ongegrond verklaard.