ECLI:NL:RBZWB:2022:1975

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 april 2022
Publicatiedatum
13 april 2022
Zaaknummer
C/02/396547 HA RK 22-75
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in bestuursrechtelijke zaak over videoverbinding

In deze bestuursrechtelijke procedure diende verzoekster een wrakingsverzoek in tegen de rechter die belast was met de behandeling van haar zaak. Het verzoek betrof de weigering van de rechter om de begeleidster van verzoekster via een videoverbinding aan de zitting te laten deelnemen. De advocaat van verzoekster stelde dat deze weigering de schijn van partijdigheid wekte en dat de beslissing geen procesbeslissing zou zijn.

De wrakingskamer overwoog dat de beslissing van de rechter om het verzoek om digitale deelname af te wijzen wel degelijk een procesbeslissing is. De kamer benadrukte dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat alleen uitzonderlijke omstandigheden tot wraking kunnen leiden. De kamer stelde vast dat het niet toestaan van digitale deelname geen bewijs is van vooringenomenheid, mede omdat de begeleidster nog steeds op reguliere wijze aan de zitting kan deelnemen.

Daarom verklaarde de wrakingskamer het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond en wees het af. De behandeling van de onderliggende zaak zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing door het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: 396547 / HA-RK 22-75
beslissing van 13 april 2022 op het wrakingsverzoek zoals bedoeld in artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van:
[verzoekster],
wonende te [adres],
verder te noemen verzoekster,
advocaat: mr. J.J. Brosius, advocaat te Goes.

1.De procedure

Het verloop van deze procedure blijkt onder meer uit:
- het wrakingsverzoek van mr. J.J. Brosius, ontvangen op 11 april 2022;
- de e-mail van de betrokken rechter op 11 april 2022, waaruit blijkt dat zij niet in de wraking berust.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt tot wraking van mr. [voorletters] Schotanus (hierna: de rechter), belast met de behandeling van de zaak met kenmerk BRE 20 / 7999 WAJONG SCHO.
De rechter berust niet in het wrakingsverzoek.

3.De feiten en de gronden van het wrakingsverzoek

3.1
De advocaat van verzoekster heeft op 7 april 2022 verzocht om de begeleidster van verzoekster via een videoverbinding deel te laten nemen aan de zitting van 13 april 2022. Dit verzoek is door de rechter afgewezen, omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Door digitale deelname van de begeleidster niet te faciliteren, is volgens de advocaat van verzoekster de schijn van partijdigheid ontstaan.
3.2
De advocaat voert primair aan dat de beslissing van de rechter niet als procesbeslissing kan worden aangemerkt. Hij verwijst hierbij naar een uitspraak van de wrakingskamer van de Centrale Raad van Beroep van 13 december 2016, rechtsoverweging 4.2 (ECLI:NL:CRVB:2016:4762). In dit licht bezien is de weigering van de rechter om een videoverbinding tot stand te brengen geen uitvoering van een procesbevoegdheid die zijn grondslag vindt in de hoofdstukken 6 en 8 van de Algemene Wet Bestuursrecht en de ongeschreven beginselen van het procesrecht.
Subsidiair wordt door de advocaat naar voren gebracht dat indien de rechtbank de beslissing van de rechter wel als procesbeslissing aanmerkt, de waarborgen voor een eerlijk en onafhankelijk proces ernstig zijn geschonden. Verzoekster is kwetsbaar en moet door weigering van de videoverbinding zonder haar begeleidster aan de zitting deelnemen en moet daarbij de inbreng van de expertise van haar begeleidster missen. Deze schending geeft aanleiding voor een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de rechter. De advocaat verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 31 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2429).

4.De beoordeling

4.1
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2
Voorop moet worden gesteld dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit is slechts anders als zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
4.3
Naar het oordeel van de wrakingskamer kan uit de door verzoekster aangevoerde wrakingsgrond geen zwaarwegende omstandigheid als bedoeld in 4.2 worden afgeleid. De wrakingskamer overweegt daartoe als volgt.
4.4
De beslissing van de rechter om het verzoek om de begeleidster van verzoekster digitaal deel te laten nemen aan de zitting af te wijzen is een procesbeslissing. De door de advocaat aangehaalde uitspraak wijkt af van de beslissing die in deze zaak is genomen, omdat daar sprake was van een inhoudelijke beoordeling van een stuk en daarmee dus het geding zelf. Volgens de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1413) komt de wrakingskamer geen oordeel toe over de juistheid van een procesbeslissing. Wanneer een wrakingsverzoek is gericht tegen de motivering van een procesbeslissing geldt als uitgangspunt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat de motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door verzoekster onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. Alleen als deze beslissing in het licht van de omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid, kan dat tot een ander oordeel leiden. Dat daarvan in deze zaak sprake zou zijn, is naar het oordeel van de wrakingskamer ook niet gebleken. Uit het feit dat de begeleidster niet digitaal wordt toegelaten blijkt geen vooringenomenheid. De toegang tot de zitting is de begeleidster immers niet ontzegd, zij heeft nog immer de mogelijkheid om op de reguliere manier aan de zitting deel te nemen. De wrakingskamer is gelet hierop van oordeel dat de beslissing geen blijk geeft van (de schijn van) vooringenomenheid.
4.5
Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de rechter ten aanzien van verzoekster vooringenomen is of dat verzoeksters vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond moet worden verklaard.
4.6
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege.

5.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat de behandeling van de zaak met nummer BRE 20 / 7999 WAJONG SCHO zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.
Deze beslissing is gegeven op 13 april 2022 door mr. M.J.L. Holierhoek, rechter en voorzitter, mr. B.J. Duinhof en mr. E. van Noort, rechters, in tegenwoordigheid van
mr. H. Holtgrefe, griffier, en in het openbaar uitgesproken.