ECLI:NL:RBZWB:2022:2015
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen dwangsom COVID-19 noodverordening
In deze bestuursrechtelijke procedure heeft de eiser bezwaar gemaakt tegen een dwangsom van €10.000,- die door de voorzitter van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant was opgelegd wegens overtreding van de COVID-19 noodverordening. Het primaire besluit tot invordering van de dwangsom werd op 28 december 2020 genomen. Eiser diende op 3 februari 2021 een bezwaarschrift in, maar dit bevatte geen concrete gronden van bezwaar zoals vereist volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verweerder heeft de eiser hierop gewezen en hem de gelegenheid geboden om de gronden uiterlijk 8 maart 2021 aan te vullen. Eiser heeft niet gereageerd, waarna verweerder het bezwaar op 7 april 2021 niet-ontvankelijk verklaarde. Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaarschrift onvoldoende concreet is en dat de stelling dat het besluit in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel niet voldoet aan de vereisten van artikel 6:5 Awb Pro. Tevens rust op de eiser de verplichting om zijn bezwaar van gronden te voorzien, en het is niet de taak van verweerder om een eerder ingediende zienswijze zelfstandig bij de beoordeling te betrekken. Daarom is het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van concrete gronden.