Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[belastingplichtige],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De gemachtigde diende namens de belastingplichtige een beroepschrift in tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een pand. Omdat het beroepschrift niet mede-ondertekend was door de belastingplichtige en niet bleek dat de gemachtigde advocaat was, was een schriftelijke machtiging vereist.
De rechtbank gaf meerdere malen de gelegenheid om het verzuim te herstellen door het overleggen van een geldige machtiging en een recent uittreksel uit het handelsregister. Ondanks herhaalde verzoeken en waarschuwingen werd niet binnen de gestelde termijnen aan deze eisen voldaan.
Daarop verklaarde de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen op 15 april 2022.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige schriftelijke machtiging.