ECLI:NL:RBZWB:2022:2047

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2022
Publicatiedatum
15 april 2022
Zaaknummer
BRE-21_5446
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:5 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid fiscale bestuursrechter inzake dwangbevel en betekeningkosten

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een dwangbevel en beslaglegging vanwege het niet nakomen van een betalingsregeling, mede door ziekte.

De rechtbank stelt dat zij als fiscale bestuursrechter niet bevoegd is om inhoudelijk te oordelen over het dwangbevel en de beslaglegging, aangezien deze besluiten niet onder de uitzonderingen van de Invorderingswet 1990 vallen. Voor de tenuitvoerlegging van het dwangbevel dient belanghebbende zich tot de civiele rechter te wenden.

Wel is de rechtbank bevoegd om te oordelen over de kosten die in rekening zijn gebracht voor de betekening van het dwangbevel. Echter, het beroep tegen deze kosten is niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is betaald, ondanks herhaalde aanmaningen.

De rechtbank verklaart het beroep voor zover gericht tegen de betekeningskosten niet-ontvankelijk en voor het overige onbevoegd. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Beroep tegen betekeningskosten niet-ontvankelijk verklaard en rechtbank onbevoegd voor overige beroepsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 21/5446
uitspraak van 15 april 2022
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,
en

de invorderingsambtenaar,

de invorderingsambtenaar.

Motivering

Belanghebbende heeft op 13 december 2021 digitaal beroep ingesteld. Belanghebbende heeft in haar gronden gemeld dat zij
“een betalingsregeling had getroffen maar omdat ik corona heb gehad en ik heel ziek was ben ik de volgende termijn vergeten gelijk word er dan bevel met beslaglegging gestuurd”.
Dwangbevel en beslaglegging
De rechtbank (de fiscale bestuursrechter) is niet bevoegd een inhoudelijke beoordeling te geven over een bevel dan wel beslaglegging. De rechtbank legt dit uit.
De (fiscale) bestuursrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de invorderingsambtenaar op grond van de Invorderingswet 1990 [1] , in verbinding met artikel 231 van Pro de Gemeentewet. Voor bepaalde besluiten op grond van de Invorderingsweg 1990 is in de regelgeving een uitzondering gemaakt, in welk geval de fiscale bestuursrechter wel bevoegd is. De beslissing tot betekening van dwangbevel valt niet onder een van de uitzonderingen. Dat geldt ook voor de (wijze van) betekening als zodanig. Tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel kan in verzet worden gekomen bij de civiele rechter [2] .
De rechtbank is in zoverre dus kennelijk onbevoegd.
Betekeningskosten
De fiscale bestuursrechter is wel bevoegd te oordelen over eventuele kosten die in rekening zijn gebracht voor de betekening van het dwangbevel. Voor zover het beroep is gericht tegen deze kosten is belanghebbende griffierecht verschuldigd van € 49. De griffier heeft belanghebbende daarover schriftelijk geïnformeerd.
De griffier heeft belanghebbende in een aangetekende brief van 17 januari 2022 nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. De brief vermeldt dat niet-ontvankelijkverklaring kan volgen, indien het griffierecht niet binnen vier weken na dagtekening van de brief is overgemaakt op de in de brief vermelde bankrekening. Volgens gegevens van Track&Trace is de brief afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres.
Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht niet is ontvangen. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het zou zijn gericht tegen de betekeningskosten;
- verklaart zich voor het overige onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 15 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb Pro). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.
2.Artikel 17 van Pro de Invorderingswet 1990.