Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig sinds 2011 in Nederland, heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting 2018 en de daarbij behorende belastingrente. Hij betwist de berekening van de inspecteur die het belastbaar inkomen inclusief een pensioen en een AOW-uitkering heeft vastgesteld, waarbij de overgangsregeling uit de Goedkeuringswet slechts gedeeltelijk is toegepast.
De inspecteur heeft de aanslag verminderd op basis van de overgangsregeling, maar belanghebbende stelt dat de vermindering hoger had moeten zijn. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de berekening juist heeft uitgevoerd, waarbij alleen het pensioeninkomen onder de overgangsregeling valt en niet de AOW-uitkering. De rechtbank legt uit dat belanghebbende ten onrechte uitging van het volledige inkomen voor de berekening van de vermindering.
Verder is het geschil over de belastingrente, waarbij belanghebbende stelt dat het aangifteprogramma onvoldoende mogelijkheden bood om de overgangsregeling toe te passen. De rechtbank vindt geen schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en bevestigt de aanslag belastingrente. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2018 inclusief belastingrente wordt bekrachtigd.