Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Uitspraak van 1 februari 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats] ,
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,
de Minister van Justitie en Veiligheid
Procesverloop
Overwegingen
- verklaart de beroepen met betrekking tot de onroerende zaken [onroerende zaak 1] (BRE 20/5464) en [onroerende zaak 4] (BRE 20/5475) gegrond;
- verklaart de overige beroepen ongegrond.
- vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de WOZ-beschikking voor de onroerende zaak [onroerende zaak 1] en de aanslag OZB voor de onroerende zaak [onroerende zaak 4] ;
- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 708 aan haar vergoedt;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van immateriële schade voor een bedrag van € 400;
- veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade voor een bedrag van € 600.