ECLI:NL:RBZWB:2022:2150

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 april 2022
Publicatiedatum
21 april 2022
Zaaknummer
AWB- 21_3511
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1 AwbArt. 8:54 AwbHuisvestingswet 2014
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdverklaring rechtbank inzake geschillencommissie woningcorporaties afgewezen

Opposant heeft beroep ingesteld tegen beslissingen van de Geschillencommissie Woningcorporaties over afwijzing van zijn aanvraag voor voorrang bij woningtoewijzing. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd omdat de geschillencommissie geen bestuursorgaan is volgens artikel 1:1 Awb Pro. Opposant stelde dat de kwestie politiek is opgepakt en verwees naar een aangenomen motie in de Tweede Kamer en een brief van de minister van Binnenlandse Zaken.

De verzetrechter beoordeelde of de rechtbank terecht onbevoegd was en concludeerde dat de motie en ministeriële brief geen wijziging van de Huisvestingswet betekenen. De geschillencommissie oefent geen publiekrechtelijke bevoegdheid uit en is daarom geen bestuursorgaan. Rechtsbescherming kan via de burgerlijke rechter worden gezocht.

De stelling dat het handelen van de gemeente en commissie in strijd is met de wet of de bedoeling van de wetgever werd verworpen. De verzetrechter benadrukte dat een wijziging van de wet door de wetgever nodig is om de commissie als bestuursorgaan te erkennen. Het verzet werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdverklaring van de rechtbank wordt ongegrond verklaard en de uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/3511 HUISV V

uitspraak van 21 april 2022 van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam opposant] , te [plaatsnaam] , opposant,

gemachtigde: mr. A. Güngörmez.

Procesverloop

Opposant heeft beroep ingesteld tegen de beslissingen van 6 juli 2021 en 10 augustus 2021 van de Geschillencommissie Woningcorporaties Regio Midden-Brabant over de afwijzing van zijn aanvraag om bij voorrang in aanmerking te komen voor een woning.
Bij uitspraak van 4 november 2021 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van dat beroep kennis te nemen.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De verzetrechter heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd verklaard. Daaraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat de geschillencommissie geen bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb.
2. In deze verzetzaak dient uitsluitend te worden beoordeeld of de rechtbank in de uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is. Aan de inhoud van de beroepsgronden kan de verzetrechter in deze zaak alleen toekomen als het verzet gegrond is.
3. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de bestreden uitspraak voor zijn advocaat aanleiding is geweest om de kwestie politiek op de agenda te doen zetten. Dit heeft geleid tot indiening van een motie door het Tweede Kamerlid [naam tweede kamerlid] op 7 juli 2021 [1] . Deze “spreek uit”-motie is met meerderheid der stemmen aangenomen.
De advocaat heeft steeds aan de orde gesteld dat door gemeenten niet op de woningmarkt gestuurd kan worden zonder het hebben van een huisvestingsverordening. Ook een urgentieregeling dient te zijn vastgelegd in een huisvestingsverordening.
Aan belanghebbenden komt rechtsbescherming toe en de rechtsmiddelen van bezwaar en (hoger) beroep moeten open staan. Het handelen van de gemeente [plaatsnaam] en de geschillencommissie is in strijd met de wet en de bedoeling van de wetgever.
De overweging van de rechtbank dat de geschillencommissie niet met enig openbaar gezag is bekleed, is dan ook niet juist. Nu middels de motie vast is komen te staan dat een urgentiecommissie slechts bij publiekrechtelijke bevoegdheid kan beslissen over de rechtspositie van een woningzoekende, is de geschillencommissie een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb, aldus de advocaat van opposant.
4. De verzetrechter betrekt bij haar beoordeling de door de advocaat van opposant overgelegde motie van het lid [naam tweede kamerlid] , alsook de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties [naam minister] van 15 oktober 2021 [2] .
De verzetrechter is van oordeel dat het beroep op de politieke agenda opposant niet kan baten. De motie van een kamerlid en de brief van de minister zijn niet afkomstig van de wetgever. De omstandigheid dat in de motie staat dat gemeenten een urgentieregeling horen onder te brengen in een huisvestingsverordening, maakt niet dat de Huisvestingswet is gewijzigd, of dat een concreet voorstel daartoe in behandeling is, waardoor de Geschillencommissie een orgaan is dat met enig openbaar gezag is bekleed. Anders dan de gemachtigde van opposant stelt, is dus geen sprake van strijd met de wet. Zolang de Huisvestingswet niet is gewijzigd, is er geen wettelijke grondslag om de Geschillencommissie als een bestuursorgaan in de zin van de wet aan te merken, omdat zij geen publiekrechtelijke bevoegdheid uitoefent. Daarom is de bestuursrechter niet bevoegd om van het beroep kennis te nemen. Een afwijzing door dit orgaan kan aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd, zodat er via deze weg rechtsbescherming mogelijk is.
De stelling van opposant dat strijd is met de bedoeling van de wetgever, kan evenmin tot het door hem gewenste resultaat leiden. De enkele bedoeling van de wetgever is naar het oordeel van de verzetrechter onvoldoende om te kunnen besluiten dat de Geschillencommissie een bestuursorgaan is. Daarover dient niet de verzetrechter, maar de wetgever te beslissen en de noodzakelijke wijziging van de Huisvestingswet 2014 te bewerkstelligen. Dat is (nog) niet gebeurd. Daarbij merkt de verzetrechter nog op dat de omstandigheid dat de minister werkt aan een herziening van de Huisvestingswet 2014 nog niet zonder meer betekent dat deze wet zal worden gewijzigd in de door opposant gewenste zin. Uit de brief van de minister blijkt naar het oordeel van de verzetrechter niet duidelijk of de minister de situatie zoals deze in de gemeente [plaatsnaam] aan de hand is, onwenselijk vindt. In [plaatsnaam] is er immers voor gekozen om in de huisvestingsverordening wel de woningvoorraad te reguleren door middel van huisvestingsvergunningen, maar geen regels te stellen over de verdeling van beschikbare woonruimte door middel van urgentieverklaringen en deze volledig in privaatrechtelijke handen te leggen. Dit is een wezenlijk andere situatie dan wanneer het college de urgentieverklaring in een huisvestingsverordening en/of een urgentieregeling regelt, maar het opstellen van criteria en de uitvoering daarvan aan de corporaties laat, zonder dat er bestuursrechtelijke rechtsmiddelen openstaan.
5. In wat opposant heeft aangevoerd ziet de verzetrechter dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 4 november 2021. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De verzetrechter verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, verzetrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 21 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 32 847, nr. 789.
2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 32 847, nr. 821.