De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 18 maart 2022 een beschikking gegeven in een zaak betreffende ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling wegens ernstige zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen, die veel weerstand vertonen tegen omgang met hun vader. De kinderen wonen bij de moeder en het ouderlijk gezag wordt door beide ouders uitgeoefend.
Tijdens de mondelinge behandeling werden de kinderen apart gehoord en waren beide ouders aanwezig met hun advocaten. De gecertificeerde instelling (GI) was niet aanwezig. De Raad handhaafde het verzoek en benadrukte de noodzaak van hulpverlening, waaronder inzet van Pro6 en een jeugdzorgwerker. De moeder steunde het verzoek en pleitte voor onderzoek naar mogelijke kind-eigenproblematiek, zoals ADHD of autisme. De vader erkende de problemen en hoopte op verbetering door aanstelling van een jeugdzorgwerker.
De kinderrechter oordeelde dat aan het wettelijke criterium voor ondertoezichtstelling was voldaan vanwege bedreigingen in de sociaal-emotionele ontwikkeling en loyaliteitsconflicten. De ouders communiceren slecht en stralen geen rust uit, wat de kinderen belast. De kinderrechter stelde doelen voor de ondertoezichtstelling, waaronder verbetering van communicatie en het bevorderen van onbelast contact met beide ouders.
De beschikking werd toegewezen en uitvoerbaar bij voorraad verklaard voor de duur van twaalf maanden. De GI werd uitdrukkelijk opgedragen binnen drie weken na kennisgeving een jeugdzorgwerker beschikbaar te stellen, ondanks de bekende wachtlijstproblematiek. Deze jeugdzorgwerker moet snel overgaan tot adequate uitvoering van de ondertoezichtstelling en regie voeren over de omgangsregeling en eventuele onderzoeken naar kind-eigenproblematiek.