ECLI:NL:RBZWB:2022:2332

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 april 2022
Publicatiedatum
28 april 2022
Zaaknummer
AWB- 22_2184 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing van dwangsombesluit voor beëindiging bewoning en gebruik pand

Verzoekers maakten bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen van 21 maart 2022, waarin drie lasten onder dwangsom werden opgelegd. Deze lasten betroffen het beëindigen van de bewoning van wooneenheden, het terugbrengen van het gebruik voor een aan huis gebonden bedrijf tot maximaal 60 m2, en het beëindigen van het gebruik van een gedeelte van het pand als PostNL distributiecentrum.

Op 20 april 2022 verzochten verzoekers de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Vanwege verhinderingen bij het college was een zitting vóór 21 mei 2022 niet mogelijk. De voorzieningenrechter was daardoor niet in staat een weloverwogen oordeel te geven op korte termijn.

Daarom werd de werking van het bestreden besluit geschorst tot uiterlijk één week na de zitting waarin het verzoek zal worden behandeld. Tot die tijd worden geen dwangsommen verbeurd. Deze schorsing heeft een voorlopig karakter en bindt de voorzieningenrechter niet in de verdere procedure.

Uitkomst: De voorzieningenrechter schorst de werking van het dwangsombesluit tot uiterlijk één week na de zitting over het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/2184 GEMWT VV

uitspraak van 28 april 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker 1] en [naam verzoeker 2] , te [woonplaats verzoekers] , verzoekers,

gemachtigde: J.G.C.B. van Ginneken,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen, verweerder,
gemachtigde mr. F.A. Pommer.

Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 maart 2022 (bestreden besluit) van het college over het opleggen van drie lasten onder dwangsom. Zij hebben daarnaast de voorzieningenrechter op 20 april 2022 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. In het bestreden besluit van 21 maart 2022 staat dat het college verzoekers onder dwangsom gelast om:
1) uiterlijk
binnen drie maandenna de dagtekening van dit besluit de bewoning van de
wooneenheden aan de [straatnaam] 1, 3 en 5 te (doen) beëindigen en beëindigd te (doen)
houden, in combinatie met het (laten) ontdoen van de laatstbedoelde woonunits van zaken
en voorzieningen die deze geschikt maken voor zelfstandige bewoning, waaronder in het
bijzonder de keuken- en sanitaire voorzieningen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 30.000,- ineens;
2) uiterlijk
binnen twee maandenhet gebruik voor het aan huis gebonden bedrijf— d.w.z. de
kapsalon/schoonheidssalon —terug te (doen) brengen en teruggebracht te (doen) houden
tot een (gebruiks-)oppervlakte van maximaal 60 m2, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 20.000,- ineens;
3) uiterlijk
binnen twee maandenhet gebruik van een gedeelte van het pand als PostNL
distributiecentrum te (doen) beëindigen en beëindigd te (doen) houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- ineens.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de begunstigingstermijn van de eerste last eindigt op 21 juni 2022 en dat de begunstigingstermijn van de tweede en de derde last eindigt op 21 mei 2022.
3. De rechtbank heeft na ontvangst van het verzoek contact opgenomen met de gemachtigde van het college met de vraag of het college bereid is om de uitspraak van de voorzieningenrechter af te wachten. Het college was daar, om hem moverende redenen, niet toe bereid. De gemachtigde van het college heeft echter zoveel verhinderdagen opgegeven dat een behandeling ter zitting van de voorzieningenrechter vóór 21 mei 2022 vrijwel onmogelijk is.
4. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter op deze korte termijn niet in staat om een weloverwogen oordeel te geven over het verzoek om een voorlopige voorziening. Gelet daarop zal de voorzieningenrechter de werking van het bestreden besluit bij ordemaatregel schorsen tot uiterlijk één week na de zitting waarop het verzoek zal worden behandeld. Dat betekent dat tot die tijd geen dwangsommen worden verbeurd.
Het verzoek zal spoedig op zitting worden behandeld. Deze ordemaatregel heeft een voorlopig karakter en de voorzieningenrechter is daar in de verdere procedure niet aan gebonden.

Beslissing

De voorzieningenrechter schorst de werking van het besluit van 21 maart 2022 tot uiterlijk één week na de zitting waarop het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden behandeld.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 28 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.