Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Procesverloop
2.Overwegingen
3.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een hoekwoning in een voormalig fabrieksgebouw te Breda voor het jaar 2020 vast op €400.000. Na bezwaar werd deze waarde verlaagd naar €380.000. Belanghebbende stelde beroep in en betwistte de hoogte van de WOZ-waarde, stellende dat deze op €312.000 moest worden vastgesteld.
De rechtbank behandelde de zaak op 31 maart 2022 waarbij partijen hun standpunten toelichtten. De woning is uniek gelegen in een voormalig fabrieksgebouw uit 1916 en heeft een gebruiksoppervlakte van 126m² met een dakterras van 22m². De waardepeildatum was 1 januari 2019. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een waardematrix en drie referentiewoningen, terwijl belanghebbende de vergelijkbaarheid van deze referentiewoningen betwistte.
De rechtbank oordeelde dat de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn en dat de taxateur rekening heeft gehouden met verschillen in oppervlakte, ligging en onderhoudstoestand. Het beroep op willekeur en het gelijkheidsbeginsel faalde omdat belanghebbende niet aannemelijk maakte dat vergelijkbare objecten lager waren gewaardeerd. De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €380.000 wordt ongegrond verklaard.