Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 2018 en maakte bezwaar tegen de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €483.000 voor het jaar 2020. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar. Belanghebbende stelde dat de WOZ-waarde verlaagd moest worden tot €462.000, gelijk aan de waarde van het voorgaande jaar, omdat volgens hem sprake was van twee verschillende waardes per 1 januari 2019.
De rechtbank overwoog dat de waardepeildatum voor het jaar 2020 op 1 januari 2019 ligt en dat de waarde volgens de Wet WOZ wordt bepaald op basis van de staat van de woning op die datum. De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde onderbouwd met een waardematrix en referentiewoningen die voldoende vergelijkbaar waren en binnen een jaar van de waardepeildatum waren verkocht.
De rechtbank stelde vast dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Daarnaast werd toegelicht dat er geen sprake was van twee verschillende WOZ-waarden op hetzelfde moment, omdat voor het jaar 2019 de waarde was vastgesteld op basis van de toestandspeildatum 1 januari 2019 met prijsniveau 1 januari 2018, en voor 2020 met prijsniveau 1 januari 2019.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de vastgestelde WOZ-waarde van €483.000 bleef gehandhaafd.