Eiser, werkzaam geweest tot juni 2017, meldde zich ziek vanwege psoriasisklachten en psychische klachten. Het UWV beëindigde aanvankelijk een Ziektewetuitkering maar kende later weer een ZW-uitkering toe. In het primaire besluit van 14 augustus 2020 weigerde het UWV een WIA-uitkering omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Eiser maakte bezwaar, dat werd ongegrond verklaard, waarna hij beroep instelde.
De rechtbank toetste het medisch dossier, waaronder rapportages van twee verzekeringsartsen die concludeerden dat eiser op de datum in geding vrijwel volledig hersteld was en slechts beperkte beperkingen had, vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Eiser voerde aan dat de klachten wisselend en niet duurzaam verbeterd waren, maar leverde geen medische onderbouwing die dit ondersteunde.
De arbeidsdeskundige van het UWV stelde passende functies vast die eiser met zijn beperkingen kon vervullen. De berekening leidde tot een arbeidsongeschiktheid van 16,47%. De rechtbank vond geen reden deze beoordeling te verwerpen en oordeelde dat het UWV terecht de WIA-uitkering weigerde. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.