Verzoekers maakten bezwaar tegen een brief van de Sociale Verzekeringsbank waarin werd medegedeeld dat de beslistermijn van hun Wob-verzoek werd opgeschort op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Verweerder verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was, maar een mededeling van feitelijke aard zonder zelfstandig rechtsgevolg.
Verzoekers stelden dat de brief gelijkgesteld moest worden met een besluit van niet-tijdig beslissen, waartegen bezwaar mogelijk is. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de brief geen besluit is omdat de opschorting rechtstreeks voortvloeit uit de Wob en niet gericht is op een zelfstandig rechtsgevolg.
De voorzieningenrechter besloot dat nader onderzoek niet nodig was en deed uitspraak op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.