ECLI:NL:RBZWB:2022:2542

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 mei 2022
Publicatiedatum
9 mei 2022
Zaaknummer
AWB - 20 _ 9360h
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hersteluitspraak over correctie teruggaafbeschikking omzetbelasting 2019

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 9 mei 2022 een hersteluitspraak gedaan ter verbetering van een eerdere uitspraak van 19 januari 2022 in een geschil tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst.

De aanleiding voor de hersteluitspraak was een door de inspecteur geconstateerde onjuistheid in het vastgestelde bedrag van de teruggaaf omzetbelasting over 2019. In de oorspronkelijke uitspraak was abusievelijk een verkeerd bedrag van €3.160 vastgesteld, terwijl het juiste bedrag, rekening houdend met een afrondingsverschil van €1, €2.980 had moeten zijn.

De rechtbank stelde vast dat deze fout voortkwam uit een misinterpretatie van het standpunt van de inspecteur en een verwisseling met een ander bedrag vermeld in de eerdere rechtsoverwegingen. De hersteluitspraak corrigeert deze kennelijke fout en past het bedrag van de teruggaafbeschikking aan naar €2.980.

De uitspraak is gedaan door rechter J.H. Bogert en griffier F.E.M. Houben, en is openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie. Tegen deze hersteluitspraak staat geen rechtsmiddel open en deze wijzigt ook niets aan de termijn voor hoger beroep tegen de oorspronkelijke uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank stelt het teruggaafbedrag omzetbelasting 2019 vast op €2.980 in plaats van €3.160.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 20/9360
Hersteluitspraak van 9 mei 2022
Hersteluitspraak ter verbetering van de uitspraak van de rechtbank in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.

1.Overwegingen

1.1.
De rechtbank heeft in deze zaak op 19 januari 2022 uitspraak gedaan (hierna: de uitspraak). De inspecteur heeft naar aanleiding van de uitspraak, bij brief, ontvangen door de rechtbank op 12 april 2022, aangegeven dat het bedrag van de teruggaaf in rechtsoverweging 2.8. en het dictum van de uitspraak onjuist is vastgesteld.
1.2.
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.8. van de uitspraak overwogen:
“De inspecteur heeft zich in zijn tweede conclusie van dupliek met dagtekening 11 oktober 2021 op het standpunt gesteld dat de teruggaaf, vanwege een afrondingsverschil van € 1 in het nadeel van belanghebbende, dient te worden vastgesteld op € 3.160. Dat betekent dat het beroep reeds om die reden gegrond is.”
1.3.
Onder het kopje ‘1 Beslissing’ staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“- stelt de teruggaafbeschikking OB over het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 vast op een teruggaaf van € 3.160;”
1.4.
De rechtbank stelt vast dat de uitspraak een misslag bevat. Deze misslag houdt in dat het vastgestelde bedrag van de teruggaaf in rechtsoverweging 2.8. niet de uitkomst is van het daarvoor weergegeven standpunt van de inspecteur, namelijk dat de ‘teruggaaf’ vanwege een afrondingsverschil van € 1 in het nadeel van belanghebbende dient te worden verhoogd. De rechtbank is bij vaststelling van de teruggaaf abusievelijk uitgegaan van het in rechtsoverweging 2.5. vermelde bedrag van de voorbelasting. Deze fout is overgenomen in de beslissing (het dictum). Dat sprake is van een kennelijke fout volgt uit het in rechtsoverweging 2.8. weergegeven standpunt van de inspecteur in samenhang met het in rechtsoverweging 2.5. vermelde bedrag van de teruggaaf (€ 2.979). De rechtbank is daarom van oordeel dat het voor partijen duidelijk had moeten zijn dat het bedrag van de teruggaaf wordt vastgesteld op € 2.980 en dat in het dictum had moeten worden vermeld:
“stelt de teruggaafbeschikking OB over het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 vast op een teruggaaf van € 2.980;”
1.5.
Herstel van de fout brengt met mee (i) dat het bedrag van € 3.160 in rechtsoverweging 2.8. van de uitspraak moet zijn € 2.980 en (ii) dat in het dictum de passage “stelt de teruggaafbeschikking OB over het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 vast op een teruggaaf van € 3.160;” komt te luiden:
“stelt de teruggaafbeschikking OB over het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 vast op een teruggaaf van € 2.980;”

2.Beslissing

De rechtbank verbetert de hierboven vermelde fout en stelt vast dat deze uitspraak aldus moet worden gelezen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 9 mei 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Voorts brengt deze uitspraak geen wijziging in de termijn voor hoger beroep tegen de oorspronkelijke uitspraak.