ECLI:NL:RBZWB:2022:2609

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2022
Publicatiedatum
12 mei 2022
Zaaknummer
20/4974
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 22j, onder a, Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar WOZ-waarde woning

De heffingsambtenaar van de gemeente Borsele stelde de WOZ-waarde van de woning van belanghebbende voor 2019 vast op €230.000,-. Belanghebbende maakte hiertegen bezwaar, dat door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk werd verklaard wegens vermeende te late indiening. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat het bezwaar wel tijdig is ingediend, namelijk op 3 juli 2019, binnen de wettelijke termijn van zes weken na dagtekening van de beschikking op 28 mei 2019. De niet-ontvankelijkverklaring was derhalve onterecht.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de heffingsambtenaar op binnen zes weken na verzending van het vonnis opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar. Tevens wordt de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van belanghebbende.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de heffingsambtenaar wordt opgedragen binnen zes weken opnieuw uitspraak te doen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
Zaaknummer BRE 20/4974

uitspraak van 13 mei 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[belanghebbende], belanghebbende,

gemachtigde: [gemachtigde],
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Borsele, de heffingsambtenaar.

Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft in de beschikking van 28 mei 2019 de WOZ-waarde van de woning aan de [adres] te [woonplaats] voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 230.000,-.
Belanghebbende heeft daar op 3 juli 2019 bezwaar tegen gemaakt. De heffingsambtenaar heeft dat bezwaar in de uitspraak op bezwaar van 16 januari 2020 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, vanwege het te laat indienen van het bezwaarschrift.
Belanghebbende heeft daar op 27 februari 2020 beroep tegen ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. In het beroepschrift schrijft belanghebbende geen bezwaar te hebben tegen het doen van uitspraak buiten zitting. Bij brief van 9 juli 2020 heeft de heffingsambtenaar de rechtbank medegedeeld dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het bezwaarschrift wel tijdig was ingediend. De heffingsambtenaar heeft daaraan toegevoegd dat geen bezwaar bestaat om uitspraak te doen zonder behandeling ter zitting.

Overwegingen

1.1
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk geacht, omdat het bezwaarschrift tijdig is ingediend. De waarde van de woning is vastgesteld bij beschikking van 28 mei 2019. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. [1] Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking, dan wel. [2] Dat betekent dat de bezwaartermijn liep van 29 mei 2019 tot uiterlijk 10 juli 2019. In het verweerschrift schrijft de heffingsambtenaar dat hij het bezwaarschrift op 3 juli 2019 en daarom tijdig heeft ontvangen.
1.2
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en draagt de heffingsambtenaar op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar van belanghebbende.
1.3
Omdat het beroep gegrond verklaard wordt, dient de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.
1.4
De rechtbank ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 541,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift). Het is aan de heffingsambtenaar om in de uitspraak op bezwaar een besluit te nemen op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de proceskosten in bezwaar.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de heffingsambtenaar op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar van belanghebbende van 3 juli 2019 tegen de vaststelling van de woz-waarde;
  • draagt de heffingsambtenaar op om het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 541,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 13 mei 2022 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier, rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Artikel 22j, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.