ECLI:NL:RBZWB:2022:2615

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2022
Publicatiedatum
13 mei 2022
Zaaknummer
AWB- 21_4988
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Verzoeker stelde beroep in tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen waarin een maatregel wegens benadelingshandeling werd opgelegd en de ex-werkgever werd verplicht de Ziektewet-uitkering niet te betalen. Na bezwaar wijzigde verweerder het besluit, waardoor de maatregel kwam te vervallen en de ex-werkgever alsnog de uitkering moest betalen. Hierdoor trok verzoeker het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De rechtbank beoordeelde het verzoek op grond van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Omdat verweerder aan het beroep geheel tegemoet was gekomen, wees de rechtbank het verzoek toe voor de beroepsfase, waarbij de proceskosten werden vastgesteld op € 759,-. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van € 49,- door verweerder moet worden vergoed.

De uitspraak werd gedaan door rechter S.A.M.L. van de Sande en griffier D. Alblas op 12 mei 2022. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten aan verzoeker.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 759,- aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/4988

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2022 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaatsnaam] , verzoeker

(gemachtigde: mr. D.M. Lai),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 9 juni 2021 (primair besluit) heeft verweerder aan verzoeker een maatregel opgelegd wegens een benadelingshandeling en medegedeeld dat de ex-werkgever de Ziektewet-uitkering niet dient te betalen.
In het besluit van 7 oktober 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 2 december 2021 heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd en in plaats daarvan besloten dat de opgelegde maatregel komt te vervallen en de ex-werkgever alsnog de Ziektewet-uitkering dient te betalen.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat zij geen bezwaar maakt tegen een proceskostenveroordeling.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker.
Bij het nieuwe besluit heeft verweerder al een proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase toegekend. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 49,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 12 mei 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.