Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een betonverwerkingsbedrijf, kreeg een naheffingsaanslag loonheffing opgelegd over het jaar 2015 wegens privégebruik van bestelauto’s. De inspecteur stelde dat de regeling voor doorlopend afwisselend gebruik niet van toepassing was en berekende de naheffing op basis van een gemiddelde waarde van de bestelauto’s. Belanghebbende voerde aan dat de bestelauto’s nagenoeg uitsluitend geschikt waren voor goederenvervoer en buiten werktijd niet gebruikt konden worden.
Tijdens de zitting verklaarde belanghebbende dat de bestelauto’s vergelijkbaar waren en vooral voor werkdoeleinden werden gebruikt, met een tussenschot en een vies interieur. Foto’s uit 2019 werden overgelegd ter onderbouwing, maar de rechtbank achtte deze onvoldoende representatief voor 2015 en onvoldoende om aan te tonen dat de voertuigen buiten werktijd niet bruikbaar waren.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de bestelauto’s uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt waren voor goederenvervoer, mede omdat regelmatig personen werden vervoerd. Ook slaagde belanghebbende er niet in te bewijzen dat de regeling voor doorlopend afwisselend gebruik van toepassing was. Beroepen op het vertrouwensbeginsel en proportionaliteitsbeginsel werden verworpen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de naheffingsaanslag en belastingrente terecht waren opgelegd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag loonheffing over 2015.