Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een onderneming in uitzenden en uitlenen van personeel, voerde in de loonaangifte over december 2017 premiekorting arbeidsgehandicapte medewerkers en indicaties voor premiekorting oudere werknemers aan diverse werknemers op nominatief niveau op. De inspecteur wees echter de tegemoetkoming loonkostenvoordeel (LKV) oudere werknemer af omdat niet aan het overgangsrecht van de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) was voldaan.
De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende recht had op het LKV oudere werknemer voor genoemde werknemers, waarbij de rechtbank oordeelde dat de premiekorting oudere werknemer in de loonaangifte over het laatste tijdvak van 2017 niet correct op collectief niveau was aangegeven en dat het correctiebericht dat belanghebbende pas op 30 april 2019 indiende te laat was om nog in aanmerking te komen voor het overgangsrecht.
Belanghebbende voerde aan dat zij in de veronderstelling verkeerde dat de loonaangifte correct was ingediend en dat de brief van het UWV een correctie tot 1 mei 2019 mogelijk maakte. De rechtbank verwierp dit en stelde dat de correctiemogelijkheid alleen betrekking had op aangiften over 2018. Ook de stelling dat de Belastingdienst of het UWV tijdig had moeten informeren over discrepanties werd afgewezen.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde eveneens, omdat de rechtbank oordeelde dat het niet aan haar is om de billijkheid van de wet te beoordelen en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een afwijking rechtvaardigden. Het beroep werd ongegrond verklaard en de beschikking van de inspecteur bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de beschikking van de inspecteur bevestigd.