Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, vertegenwoordigd door de curator in het faillissement, verzocht om teruggaaf van omzetbelasting over de periode van 21 januari 2014 tot en met 31 december 2019. De inspecteur stelde de teruggaaf vast op een lager bedrag dan gevorderd, waarbij een deel van de teruggaaf werd geweigerd wegens overschrijding van de termijn van vijf jaar.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking, maar de inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond. Vervolgens is beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat de beslissing van de inspecteur een beschikking is op grond van artikel 65 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), welke niet vatbaar is voor bezwaar en beroep.
Daarom verklaart de rechtbank zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Wel wordt de inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden vanwege een onjuiste rechtsmiddelverwijzing in de beschikking. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en draagt de inspecteur op het griffierecht te vergoeden.