Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een onderneming in recycling, had in 2018 achttien werknemers in dienst met mutaties gedurende het jaar. Het UWV maakte op basis van loonaangiften een voorlopige berekening van de tegemoetkomingen uit de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) 2018, die belanghebbende niet heeft gecorrigeerd binnen de gestelde termijn tot 1 mei 2019.
De inspecteur stelde bij beschikking vast dat belanghebbende recht had op de voorlopige berekende tegemoetkomingen, maar kende geen loonkostenvoordeel (LKV) of lage-inkomensvoordeel (LIV) toe voor vijf specifieke werknemers. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat de werknemers wel aan de voorwaarden voldeden en dat het zorgvuldigheidsbeginsel was geschonden.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet tijdig een verzoek voor LKV heeft ingediend en dat correctieberichten na 1 mei 2019 niet in aanmerking worden genomen. Daarnaast is niet gebleken dat de voorwaarden voor LIV zijn vervuld. Het zorgvuldigheidsbeginsel is niet geschonden omdat belanghebbende tijdig en adequaat is geïnformeerd over de correctietermijn.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de weigering van tegemoetkoming loondomein 2018 wordt ongegrond verklaard.