ECLI:NL:RBZWB:2022:2673

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 mei 2022
Publicatiedatum
16 mei 2022
Zaaknummer
BRE 20/8296
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h AWRArt. 28 AWRAfdeling 8.2.6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag verbruiksbelasting en vergoeding immateriële schade

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag verbruiksbelasting over de periode 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2018, inclusief een verzuimboete en belastingrente. De inspecteur handhaafde de aanslag deels, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.

Tijdens de zitting op 22 april 2022 te Breda bereikten partijen een compromis waarbij de naheffingsaanslag werd verminderd tot €16.500. Dit hield onder meer in dat de aanslag over 2014 volledig werd kwijtgescholden en de aanslag over 2015 werd verlaagd tot €9.650. Ook werd de verzuimboete vernietigd en de belastingrente dienovereenkomstig aangepast.

De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende (€1.518) en het betaalde griffierecht (€178). Tevens werd een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend van €500, waarvan €200 voor rekening van de inspecteur en €300 voor de Minister van Justitie en Veiligheid.

De uitspraak is gedaan door rechter M.H. van Schaik en griffier S.A.C. Deeleman op 16 mei 2022 en is openbaar gemaakt via Rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De naheffingsaanslag verbruiksbelasting wordt verminderd tot €16.500, de verzuimboete vernietigd en immateriële schade en proceskosten worden vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 20/8296
uitspraak van 16 mei 2022
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur,
en
de Minister van Justitie en Veiligheid,
de Minister.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 20 augustus 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag verbruiksbelasting over de periode 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2018, de daarbij opgelegde verzuimboete en in rekening gebrachte belastingrente (aanslagnummer [aanslagnummer]).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2022 te Breda.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, mr. R.B.H. Beune, verbonden aan Beune Faber Advocaten-Belastingkundigen te Arnhem, en namens de inspecteur, [inspecteur] en [inspecteur].

1.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 16.500 en vermindert de daarbij in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig;
  • vernietigt de verzuimboete;
  • veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade van € 200;
  • veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade van € 300;
  • veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.518;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 178 aan hem vergoedt.

2.Gronden

2.1.
Partijen hebben bij wijze van compromis overeenstemming bereikt en wel in die zin dat de naheffingsaanslag verbruiksbelasting op de volgende wijze moet worden verminderd tot € 16.500:
  • vermindering van de nageheven verbruiksbelasting over het jaar 2014 (€ 8.899) tot nihil; en
  • vermindering van de nageheven verbruiksbelasting over het jaar 2015 (€ 12.541) tot € 9.650.
Partijen zijn verder overeengekomen dat de bij de naheffingsaanslag in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig moet worden verminderd en de opgelegde verzuimboete moet worden vernietigd.
2.2.
Partijen hebben ook overeenstemming bereikt over de proceskostenveroordeling van de inspecteur voor de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Overeenkomstig de ter zitting gemaakte afspraken zal deze worden vastgesteld op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze proceskostenvergoeding is door partijen op grond daarvan vastgesteld op € 1.518 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 1). Ook krijgt belanghebbende het door hem betaalde griffierecht vergoed.
2.3.
De rechtbank heeft overeenkomstig het bovenstaande beslist.
2.4.
Tot slot wijst de rechtbank de door belanghebbende gevraagde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe voor € 500. Dit bedrag komt gedeeltelijk (2/5e deel) voor rekening van de inspecteur, en gedeeltelijk (3/5e deel) voor rekening van de Minister, die daarom in zoverre mede is aangemerkt als partij in dit geding. Een en ander is gebaseerd op de uitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad [1] , een redelijke termijn van twee jaar in dit geval, de datum waarop het bezwaarschrift is ontvangen (13 januari 2020), de datum van de uitspraak op bezwaar (20 augustus 2020) en de datum van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier, op 16 mei 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Voetnoten

1.HR van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.