Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 13 mei 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,
de Staat der Nederlanden(de minister van Justitie en Veiligheid).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €374.000 voor het jaar 2020 van zijn twee-onder-een-kapwoning. De heffingsambtenaar baseerde de waarde op een taxatierapport en vergelijkingsmethode met drie referentiewoningen. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, onder meer vanwege onjuiste correcties in de waardematrix en onvoldoende vergelijkbaarheid van referentiewoningen.
De rechtbank acht de door belanghebbende voorgestelde waarde van €348.000 reëel en stelt deze vast. Tevens is vastgesteld dat de behandeling van bezwaar en beroep de redelijke termijn van 24 maanden met ongeveer twee maanden is overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €500. Deze vergoeding wordt naar evenredigheid verdeeld tussen de heffingsambtenaar en de Staat als derde partij.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten van €1.620 en het betaalde griffierecht van €48. Het beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig verminderd.
Uitkomst: De WOZ-waarde wordt vastgesteld op €348.000 en belanghebbende ontvangt een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.