Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 13 mei 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,
de Staat der Nederlanden(de minister van Justitie en Veiligheid).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het jaar 2020, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €210.000. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat deze waarde correct was, mede op basis van een taxatierapport en vergelijkingsobjecten die redelijk vergelijkbaar waren met de woning van belanghebbende.
Belanghebbende voerde aan dat de woning gedateerd was en dat keuken, badkamer en toilet al 27 jaar oud waren. De rechtbank stelde vast dat hiermee voldoende rekening was gehouden in de waardering, onder meer door de onderhoudsfactoren in het taxatierapport en de vergelijkbare bouwperiode van de referentiewoningen.
De rechtbank wees het beroep ongegrond, maar kende belanghebbende een vergoeding van €500 toe wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer twee maanden bij de behandeling van bezwaar en beroep. Deze vergoeding werd gelijkelijk verdeeld over de heffingsambtenaar en de Staat der Nederlanden. Tevens werden proceskosten en griffierechten deels aan de heffingsambtenaar en de Staat opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.