ECLI:NL:RBZWB:2022:2688

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 mei 2022
Publicatiedatum
17 mei 2022
Zaaknummer
BRE-22_904
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 6:15 AwbArt. 7:1 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid rechtbank inzake beroep tegen dwangbevel belastinginvordering

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de betekening van een dwangbevel met betrekking tot gemeentelijke en waterschapsbelastingen. De rechtbank legt uit dat zij als fiscale bestuursrechter niet bevoegd is om inhoudelijk te oordelen over beslissingen van de invorderingsambtenaar op grond van de Invorderingswet 1990 en de Gemeentewet.

De beslissing tot betekening van het dwangbevel valt niet onder de uitzonderingen waarbij de bestuursrechter wel bevoegd is. Hierdoor kan geen beroep of bezwaar bij de bestuursrechter worden ingesteld tegen het dwangbevel zelf. Wel kan verzet worden aangetekend bij de civiele rechter tegen de tenuitvoerlegging.

De rechtbank is wel bevoegd om te oordelen over de kosten die in rekening zijn gebracht voor de betekening, maar eerst moet belanghebbende bezwaar maken bij de invorderingsambtenaar. De rechtbank draagt daarom op het beroepschrift door te zenden als bezwaar tegen de kosten. Het beroep wordt voor zover gericht tegen de kosten niet-ontvankelijk verklaard. Het betaalde griffierecht wordt aan belanghebbende terugbetaald.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor het beroep tegen het dwangbevel en niet-ontvankelijk voor het beroep tegen de betekeningskosten en draagt doorzending van het bezwaar tegen de kosten aan de invorderingsambtenaar op.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 22/904
uitspraak van 17 mei 2022
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,
en

de invorderingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant,

de heffingsambtenaar.

Motivering

Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend betreffende een betekening van een dwangbevel inzake de aanslag gemeentelijke- en/of waterschapbelastingen met aanslagnummer [aanslagnummer] .
Dwangbevel
De rechtbank (de fiscale bestuursrechter) is niet bevoegd een inhoudelijke beoordeling te geven. De rechtbank legt dit uit.
De (fiscale) bestuursrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de invorderingsambtenaar op grond van de Invorderingswet 1990 [1] , in verbinding met artikel 231 van Pro de Gemeentewet. Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt, in welk geval de (fiscale) bestuursrechter wel bevoegd is. De beslissing tot betekening van een dwangbevel valt niet onder een van de uitzonderingen. Dat geldt ook voor de (wijze van) betekening als zodanig. Omdat geen beroep bij de (fiscale) bestuursrechter kan worden ingesteld, is het evenmin mogelijk bezwaar te maken. [2] Tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel kan in verzet worden gekomen bij de civiele rechter. [3]
De rechtbank is in zoverre dus kennelijk onbevoegd.
Betekeningskosten
De fiscale bestuursrechter is wel bevoegd te oordelen over eventuele kosten die in rekening zijn gebracht voor de betekening van het dwangbevel, maar dan dient eerst bezwaar te worden gemaakt bij de invorderingsambtenaar. Na ontvangst van een uitspraak op dat bezwaar kan desgewenst daartegen in beroep gegaan worden bij de belastingrechter.
Nu eerst een bezwaarfase doorlopen moet worden, moet de rechtbank de brief van 12 februari 2022 en de aanvullend ingediende stukken op grond van artikel 6:15 van Pro de Awb doorzenden naar de invorderingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Die mededeling is hierbij gedaan.
Het beroep is daarom in zoverre niet-ontvankelijk.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Aangezien de rechtbank onbevoegd is, zal aan de griffier worden opgedragen het griffierecht terug te betalen aan belanghebbende.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep is gericht tegen het dwangbevel;
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de betekeningskosten;
- draagt de invorderingsambtenaar op het beroepschrift van 12 februari 2022 in behandeling te nemen als bezwaarschrift tegen de kosten van het dwangbevel;
- draagt de griffier op het beroepschrift en de aanvullend ingediende stukken door te sturen naar de invorderingsambtenaar;
- draagt de griffier op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 aan hem te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 17 mei 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb Pro). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.
2.Of bezwaar kan worden gemaakt, is namelijk ervan afhankelijk of beroep kan worden ingesteld (artikel 7:1 van Pro de Awb).
3.Artikel 17 van Pro de Invorderingswet 1990.