5.3De rechtbank ziet geen reden te oordelen dat de voor eiser geselecteerde functies rekening houdend met de FML van 7 januari 2022 in medisch opzicht niet passend zijn. De rechtbank verwijst naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 6 augustus 2020 en de rapportages van de arbeidsdeskundige b&b van 14 december 2020 en 7 januari 2022.
Daarin is inzichtelijk gemotiveerd dat, uitgaande van de vastgestelde beperkingen, eiser de werkzaamheden kan verrichten die verbonden zijn aan deze functies.
Eiser heeft aangevoerd dat deze functies ten onrechte geschikt worden geacht omdat hij die functies niet kan vervullen vanwege paniekaanvallen en concentratieproblemen.
Zoals hiervoor onder overweging 4.4 aangegeven is de aanname van eiser dat arbeidsdeskundige [naam arbeidsdeskundige 1] eiser geheel arbeidsongeschikt achtte, niet juist gebleken en overigens vloeit eisers standpunt dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten, voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank in diezelfde overweging 4.4 heeft geconcludeerd is die opvatting niet juist.
De hiervoor genoemde functies met de Sbc-codes 111180, 268040 en 111334, mochten dan ook worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid per 14 april 2019.
6.
Mate van arbeidsongeschiktheid
Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van (65,74% per 8 oktober 2011 en) 66,58% per 14 april 2019. Eiser heeft echter aangevoerd op basis van de CAO voor journalisten over de periode 2011-2012 in aanmerking te hebben moeten komen voor een hoger salaris en dat het UWV daarom bij de berekening van zijn maatmanloon van dat hogere salaris had moeten uitgaan.
De rechtbank kan eiser in die beroepsgrond niet volgen. Voor de berekening van het maatmanloon dient het UWV uit te gaan van het loon dat daadwerkelijk door eiser is ontvangen en zoals dat door de fiscus als juist is geaccepteerd.
Alleen als eiser daadwerkelijk meer inkomen over de referteperiode heeft ontvangen kan van dat inkomen worden uitgegaan. Dat eiser meent recht te hebben gehad op een hoger loon kan daarin geen rol spelen, zolang dat hogere loon hem niet is uitbetaald. Daar komt bij dat de referteperiode is gelegen vóór de uitval van eiser in 2009, zodat een cao over de periode van 2011-2012 daarop geen invloed kan hebben.
Omdat eiser overigens tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate (66,58% per 14 april 2019) van arbeidsongeschiktheid.
Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 14 april 2019 heeft vastgesteld op 66,58% en eiser terecht een WIA-uitkering naar die mate van arbeidsongeschiktheid heeft toegekend per 14 april 2019.
Het beroep voor zover gericht tegen betreden besluit II wordt dan ook ongegrond worden verklaard.
Het bestreden besluit I dient te worden vernietigd, omdat, zoals hiervoor is overwogen, het UWV pas in beroep een juiste beoordeling van de medische geschiktheid van eiser als motivering heeft opgesteld. Bestreden besluit I was dan ook onvoldoende gemotiveerd en incorrect. Omdat bestreden besluit II in stand blijft zal er inhoudelijk niets veranderen.
7.
Proceskosten en griffierecht
Omdat het beroep (deels, voor zover gericht tegen bestreden besluit I) gegrond wordt verklaard, is er reden voor een proceskostenveroordeling en dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.
De rechtbank zal het UWV veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,‑ en wegingsfactor 1). Daarnaast komen de kosten van de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts [naam verzekeringsarts 3] a € 862,13, naast de reiskosten van eiser naar de rechtbank ter hoogte van € 24,02, voor vergoeding in aanmerking. Het totaal aan te vergoeden proceskosten komt daarmee uit op € 2.404,15.