Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende verzocht om een middelingsteruggaaf inkomstenbelasting over de jaren 2017 tot en met 2019. De inspecteur verleende een middelingsteruggaaf van €4.971, iets lager dan het door belanghebbende gevraagde bedrag van €5.040 vanwege een tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning van €75 in 2019.
De kern van het geschil betrof de vraag of deze tariefsaanpassing in mindering moest worden gebracht bij de berekening van de middelingsteruggaaf. De rechtbank oordeelde dat op grond van de wettelijke bepalingen de tariefsaanpassing terecht buiten beschouwing was gelaten.
Daarnaast stelde belanghebbende dat de inspecteur onvoldoende had gemotiveerd en dat het integriteitsbeginsel was geschonden. De rechtbank concludeerde dat de inspecteur voldoende had gemotiveerd, onder meer door een berekening toe te voegen, een vooraankondiging te sturen en een telefoongesprek te voeren met de gemachtigde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de middelingsteruggaaf is ongegrond verklaard en de beschikking van de inspecteur bevestigd.