Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende verkreeg een onroerende zaak die oorspronkelijk als pakhuis was ontworpen, gebouwd en gebruikt. Voor de overdracht was een omgevingsvergunning verleend voor verbouwing tot drie stadswoningen, maar de feitelijke verbouwing was nog niet begonnen. De notaris gaf overdrachtsbelasting aan tegen 2% tarief, maar de inspecteur legde een naheffingsaanslag op tegen 6%, omdat het pand geen woning zou zijn.
De rechtbank toetste of de onroerende zaak naar zijn aard een woning was op het moment van overdracht, zoals vereist in artikel 14, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. De gewijzigde bestemming in het bestemmingsplan was niet beslissend. De feitelijke kenmerken van het pand waren vrijwel onveranderd; het was nog steeds een pakhuis met slechts beperkte werkzaamheden uitgevoerd.
Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het pand naar zijn aard een woning was. De beperkte werkzaamheden konden niet worden aangemerkt als onmiskenbare verbouwingswerkzaamheden die strekten tot oplevering van een woning. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef de naheffingsaanslag en belastingrente gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard omdat de onroerende zaak bij overdracht nog geen woning was.