Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting van €3.766 en de daarbij behorende belastingrente van €213, opgelegd door de inspecteur. De onroerende zaak betrof een voormalig pakhuis dat op het moment van overdracht nog niet was verbouwd tot woningen, hoewel een omgevingsvergunning voor het bouwen van drie stadswoningen was verleend.
De rechtbank oordeelt dat de bewijslast rust op belanghebbende om aannemelijk te maken dat het object op het moment van overdracht naar zijn aard tot woning bestemd was. De gewijzigde bestemming in het bestemmingsplan is niet leidend; de toets vindt plaats aan de hand van de kenmerken van het bouwwerk zelf.
Vaststaat dat de onroerende zaak op het moment van overdracht feitelijk nog vrijwel onveranderd was als pakhuis. De beperkte werkzaamheden voorafgaand aan de overdracht zijn onvoldoende om te concluderen dat het pand naar zijn aard al een woning was. Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en blijft de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting wordt ongegrond verklaard omdat het pand op het moment van overdracht niet naar zijn aard een woning was.