Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
€ 565
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, gescheiden en met drie minderjarige kinderen, ontving in 2018 een WIA-uitkering en deed aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. De inspecteur legde een aanslag op waarbij hij afweek van de aangifte. Belanghebbende maakte bezwaar en diende een herzien aangiftebiljet in met opgevoerde specifieke zorgkosten en een verzoek om toepassing van de jonggehandicaptenkorting.
De inspecteur handhaafde de aanslag omdat belanghebbende de specifieke zorgkosten niet aannemelijk had gemaakt en geen recht had op de jonggehandicaptenkorting. De rechtbank oordeelde dat de overgelegde stukken onvoldoende waren om de aftrekbare zorgkosten te bewijzen, mede omdat betalingsbewijzen ontbraken en de inspecteur terecht om deze kon vragen.
Daarnaast stelde belanghebbende dat hij een Wajong-uitkering ontving, maar kon dit niet aannemelijk maken. De rechtbank stelde vast dat alleen een Wajong-uitkering recht geeft op de jonggehandicaptenkorting, niet een WIA-uitkering. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2018 is ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs voor aftrek specifieke zorgkosten en het ontbreken van recht op jonggehandicaptenkorting.