Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in Zwitserland, had in 2018 inkomsten uit dienstbetrekking zonder inhouding van Nederlandse loonheffingen en diende zijn aangifte inkomstenbelasting pas in oktober 2019 in. Hij had een lijfrenteverzekering afgesloten waarvan het kapitaal in 2017 vrijkwam, maar de afkoop vond feitelijk plaats per 31 december 2018. De inspecteur legde een aanslag IB 2018 op, waarbij het vrijgekomen kapitaal als afkoop werd aangemerkt, en bracht belastingrente en revisierente in rekening.
Belanghebbende betwistte de rechtmatigheid van de revisierente en stelde dat hij geen voordeel had behaald en dat er ongelijke behandeling was met andere gevallen. De rechtbank oordeelde dat de wettelijke bepalingen correct zijn toegepast en dat de vergelijkingen niet gaan over feitelijk en juridisch gelijke gevallen, waardoor het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden.
Ten aanzien van de belastingrente voerde belanghebbende aan dat de vertraging niet aan hem te wijten was, maar aan zijn adviseur, de verzekeringsmaatschappij en de Belastingdienst. De rechtbank stelde vast dat de rente correct was berekend over de wettelijke periode en dat de inspecteur niet verwijtbaar kon worden gesteld dat de aanslag pas in juli 2020 werd opgelegd. De rechtbank concludeerde dat belanghebbende actief en zorgvuldig had gehandeld, maar dat de omstandigheden geen grond boden voor vermindering van de rente.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2018 en de in rekening gebrachte belastingrente en revisierente is ongegrond verklaard.