ECLI:NL:RBZWB:2022:2812

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 mei 2022
Publicatiedatum
23 mei 2022
Zaaknummer
AWB- 22_735
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens niet tijdig besluit Wmo

Verzoeker diende op 2 februari 2022 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen over zijn bezwaar tegen de beëindiging van huishoudelijke ondersteuning per 10 november 2021 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Naar aanleiding van het besluit van de gemeente op 10 maart 2022 om het bezwaar te honoreren, trok verzoeker het beroep in en verzocht de rechtbank om de gemeente te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van de beroepsfase. De gemeente verwees naar het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat de gemeente aan het beroep tegemoet is gekomen en dat de proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase reeds was toegekend. Daarom werd het verzoek om proceskostenvergoeding voor de beroepsfase als kennelijk gegrond toegewezen en vastgesteld op € 379,50, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast wees de rechtbank erop dat de gemeente het griffierecht van € 50,- moet vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gemeente Dongen tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker voor de beroepsfase tot € 379,50.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/735

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2022 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [plaatsnaam] , verzoeker

(gemachtigde: mr. A. van 't Laar),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bij brief van 2 februari 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn bezwaar van 16 augustus 2021 gericht tegen het primaire besluit van 29 juli 2021 betreffende de beëindiging van de huishoudelijke ondersteuning aan verzoeker per 10 november 2021 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Bij besluit van 10 maart 2022 heeft verweerder op het bezwaar beslist.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat zij zich refereren aan het oordeel van de rechtbank.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker.
Bij het besluit heeft verweerder al een proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase toegekend. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Daarbij merkt de rechtbank het gewicht van de onderhavige zaak aan als licht, gelet op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waarin is overwogen dat geschillen met betrekking tot het uitblijven van een besluit als licht moeten worden beschouwd. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 0,5).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 379,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van C.A.F. Kalb, griffier, op 20 mei 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.