Belanghebbende, een buitenlands belastingplichtige woonachtig in België, vroeg om een geruisloze omzetting van haar vof in een BV met terugwerkende kracht. De inspecteur legde daarop een navorderingsaanslag IB/PVV op met een conserverend inkomen en bracht belastingrente in rekening. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht beschikte over een nieuw feit, namelijk het verzoek om geruisloze omzetting, waardoor navordering gerechtvaardigd is.
Het verdedigingsbeginsel is niet geschonden omdat belanghebbende voorafgaand aan de navorderingsaanslag gelegenheid kreeg te reageren via de kennisgeving en zij de standaardvoorwaarden had geaccepteerd. Ten aanzien van de belastingrente oordeelt de rechtbank dat de kennisgeving voldoende was en geen schending van het verdedigingsbeginsel plaatsvond.
De rechtbank stelt echter vast dat de belastingrente leidt tot ongelijke behandeling van binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen, aangezien buitenlandse belastingplichtigen geen mogelijkheid hebben om belastingrente te vermijden door een voorlopige aanslag aan te vragen. Deze ongelijke behandeling is niet objectief gerechtvaardigd en vormt discriminatie. Daarom wordt de beschikking belastingrente vernietigd.
Verder kent de rechtbank belanghebbende een vergoeding toe voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt de inspecteur in de proceskosten. Het beroep wordt voor het overige ongegrond verklaard.