Partijen waren gehuwd van 1994 tot 2016 en hadden bij beschikking en convenant een partneralimentatie vastgesteld van € 2.103,77 per maand, inclusief indexering. De man verzocht de bijdrage te verlagen naar nihil of een lager bedrag wegens gewijzigde financiële omstandigheden, waaronder verliezen in zijn onderneming mede door COVID-19 en vermeende toegenomen verdiencapaciteit van de vrouw.
De rechtbank oordeelde dat het verlies in 2019 vooral te wijten was aan investeringen en bedrijfsuitbreiding, niet aan COVID-19. De grote winst in 2018 had deze verliezen moeten compenseren. Hoewel COVID-19 in 2020 en 2021 invloed had, verkocht de man een van zijn bedrijven aan zijn zoon, waardoor zijn winst uit onderneming lager is. De rechtbank verwacht dat de man een vergelijkbare winst als in 2015 kan behalen, waarop de alimentatie was gebaseerd.
Wat betreft de vrouw stelde de rechtbank vast dat zij nu 24 uur per week werkt, negen uur meer dan in 2015, maar dat dit geen reden is om de alimentatie te verlagen. Haar verdiencapaciteit wordt geacht volledig benut te zijn, mede gezien haar leeftijd en werkverleden.
De rechtbank concludeerde dat geen zodanige wijziging van omstandigheden is opgetreden dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer gehouden is de overeengekomen bijdrage te betalen. Het verzoek tot wijziging van de partneralimentatie wordt daarom afgewezen.