In deze zaak vordert eiseres, exploitant van een caférestaurant, wijziging van de huurovereenkomst met InBev Nederland B.V. vanwege de door de overheid opgelegde COVID-19 maatregelen die de exploitatie van het gehuurde bedrijfsruimte ernstig hebben beperkt. Eiseres baseert haar vordering mede op het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, waarin is geoordeeld dat onder omstandigheden een beroep op onvoorziene omstandigheden mogelijk is.
De rechtbank stelt vast dat de huurovereenkomst is gesloten vóór 15 maart 2020, dat het gehuurde horeca betreft en dat door de pandemie en maatregelen het gehuurde regelmatig en langdurig (gedeeltelijk) gesloten was. De omzetcijfers over 2019 zijn niet representatief vanwege een nachtvergunning die eiseres in februari 2020 ontving, waardoor de omzet vanaf dat moment significant steeg. Daarom wordt een toeslag berekend op de omzetcijfers van 2019 om het omzetpotentieel beter te weerspiegelen.
De stelling van InBev dat er sprake was van een 'summer of love' in de zomer van 2020, leidend tot hogere omzetten, wordt door de rechtbank onvoldoende onderbouwd geacht. Vaste lasten zoals verpakkingsmateriaal worden niet meegerekend, maar managementfee en accountantskosten wel. De rechtbank kent huurkorting toe over de periode maart 2020 tot en met 24 februari 2022, met verschillende percentages per maand, waarbij de reeds verleende korting over april en mei 2020 wordt bevestigd.
De rechtbank bepaalt dat de teveel betaalde huur mag worden verrekend met toekomstige huurbetalingen en veroordeelt InBev tot betaling van buitengerechtelijke kosten. Proces- en nakosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.