Uitspraak
[naam bedrijf]en
[naam bedrijf],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De bestuurder van twee B.V.'s voerde verzet tegen een dwangbevel van het pensioenfonds PHC betreffende niet-betaalde pensioenpremies. Centraal stond de vraag of de meldingsplicht van betalingsonmacht volgens artikel 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 tijdig en voldoende was nagekomen.
De rechtbank stelde vast dat meldingen van betalingsonmacht op 2 april 2019 door PHC waren ontvangen en dat eerdere correspondentie, waaronder stukken uit 2015 over de financiële situatie en crediteurenakkoord, gelijkgesteld konden worden aan meldingen. PHC had niet aangegeven dat zij deze informatie onvoldoende vond, waardoor het wettelijk vermoeden van betalingsonmacht niet opging.
Verder oordeelde de rechtbank dat PHC onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur door de bestuurder in de drie jaar voorafgaand aan de melding. De bestuurder had weliswaar andere prioriteiten gesteld bij betalingen, maar handelde als een redelijk denkend bestuurder en zocht contact met PHC.
De conclusie was dat het dwangbevel vernietigd moest worden en dat PHC in de proceskosten werd veroordeeld. Het dwangbevel werd buiten werking gesteld en de bestuurder werd niet gehouden tot betaling van het daarin genoemde bedrag.
Uitkomst: Het verzet tegen het dwangbevel wordt toegewezen en het dwangbevel wordt vernietigd wegens tijdige melding betalingsonmacht en ontbreken kennelijk onbehoorlijk bestuur.