De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 2 juni 2022 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van poging tot oplichting, valsheid in geschrift en poging tot afpersing. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 19 mei 2022, waarbij verdachte niet aanwezig was maar zijn raadsman wel.
De rechtbank achtte bewezen dat verdachte zich schuldig maakte aan poging tot oplichting en valsheid in geschrift door zich voor te doen als zijn vader en vervalste documenten te gebruiken voor een kredietaanvraag van €50.000. De poging tot afpersing, waarbij verdachte anonieme brieven en sms-berichten zou hebben gestuurd met bedreigingen, werd niet bewezen omdat de berichten juridisch niet kwalificeerden als bedreiging met geweld.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden, rekening houdend met recidive, de aard van het delict en het feit dat het een poging betrof. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot het betalen van €345 aan materiële schade aan de benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering van een andere benadeelde partij werd afgewezen wegens vrijspraak van het onderliggende feit.
De rechtbank wees tevens op het belang van het vertrouwen in documenten in het maatschappelijk verkeer en de ernst van het handelen van verdachte, die zijn eigen financiële gewin nastreefde ten koste van anderen. De straf is lager dan de eis van twaalf maanden gevangenisstraf vanwege het niet volledig bewezen verklaren van alle feiten.